Verhaaltjes over Steven, Pille, Joonas en Mattias... hier kan je alles vinden over wat we doen in Estland, en hoe het met de familie gaat.
18 september 2007
Uit de mailbox: Westfluuts mie oopen (keurte tèkches)
Af en toe voel ik de behoefte mijn medemens te entertainen met wat leuks dat ik zelf in m'n mailbox krijg... Bij deze!
Zulma lag op sterven. De verpleegster had een brandende kaars in haar handen gestopt.
Zei Baziel: "Zulma, os je wil dood goan, je zoed er beter e gedacht van maken, want anders go je nog je’ n pooten verbranden".
Met een meer dan zatte kop stapte Baziel naar het toilet en goot er een pas bestelde pint in uit.
"Wa doe je do nu?" vroeg Hektor.
"'k Zien 't beu van tusschenpersoon te spelen", antwoordde Baziel.
Baziel was kandidaat-treinwachter.
"Moest er gemeld worden dat er twee treinen uit tegengestelde richting mekaar op het zelfde spoor naderen, wat zou je dan doen?" vroeg de examinator.
"'k Zoen ik ton zere m'n broer roepen" antwoordde Baziel.
"Zo, en waarom uw broer?" vroeg de examinator.
Baziel: "Omda tie vree gèren accidenten ziet".
Baziel liep zo zat als een kanon door de nacht. Hij strompelde van lantaarnpaal tot lantaarnpaal. Aan een late voorbijganger vroeg hij:
"Menere, zoe je e ki kunnen tellen hoeveel buulen da'k ip m'n voorhoofd hèn?"
"Drie" antwoordde de voorbijganger.
" 't Is goed" zei Baziel, "nog twee lanteirens en 'k zien thuus".
Zulma: "Baziel, je kiek zo rare. Wa schilt er?"
Baziel: " 'k Hen juuste e boekstje gelezen met e gheel triestig ende".
Zulma: "En waffer boekstjie is da?"
Baziel: "Ons spoarboekstjie".
Bij de apotheker. Baziel stond in de rij. Voor hem een dame die fluisterde: "de pil". De apotheker gaf haar discreet het gevraagde.
Vervolgens een man die fluisterde: "kapoten". Nog discreter gaf de apotheker hem het gevraagde.
Aan de beurt gekomen fluisterde Baziel: "vazeline".
"Wat vraag je?" vroeg de apotheker, "Spreek eens wat luider, ik hoor je niet".
"Ja mo", antwoordde Baziel, " 't is ook vo te poepen wèje".
Zulma was zwaar ziek en moest berecht worden.
Vroeg de pastoor: "Baziel heb je geen kaars, een beetje wijwater en een palm?"
"Een keirsse en wiewoter hemme", antwoordde Baziel, "mo gin Palm. Is e Jupiler ook goed?"
Hector vond Baziel in alle staten, tranen wenend met tuiten. " 't Is me voder die dood is" zei hij. Er werd getelefoneerd en na het gesprek kwam Baziel nog heviger wenend binnen. "Een oengeluk komt toch nooit ollene", zei hij, " 't Was men broere die belde, z'n voder is ook dood".
Baziel moest naar Brussel bellen.
Aan de andere kant zei de telefoniste: "J'écoute".
"Ik ook", antwoordde Baziel, " 'k hen zelfs stief koed".
Zei de dokter: "Baziel, gij hebt gij zeker dikwijls dorst?"
"Ba neen 'k meneere den dokteur", antwoordde hij, " 'k en loaten ik dat nooit zo verre kommen".
In de Arbeidsbemiddeling moest Baziel weer al eens een formulier invullen.
Er stond een vraag: "Werkt uw echtgenote, zo ja: waar".
Schreef Baziel: "Ja, op mijn zenuwen".
Om bij de vuilnisdienst te worden aangeworven, moest Baziel aan een "examen" meedoen.
"Kun je tellen tot tien?" vroeg men hem.
Hij antwoordde: "Een, twee, drie, viere, vuuve, zesse, zevene, achte, negene, tiene".
"Uitstekend" zei de examinator, "en kun je nog verder tellen ook?"
"Ja 'k" antwoordde Baziel, "de zot, de vrouwe en den here".
Een Frans madammeke kwam op Baziel zijn hofstede.
"O que ça pue ici" riep ze.
En Baziel in zijn beste Frans: " Ca c'est niks madamtje, ce sont mes koei".
Baziel kwam thuis: een gat in de nacht en met een stuk in zijn kraag. Zonder sleutel, moest hij aanbellen.
Zulma riep van achter de deur: "Is 't gie, Baziel?"
En Baziel: "Hoe zoe dadde, kommen d'er hier nog andere ook dè?"
Baziel werd ingeschreven als werkzoekende.
Vroeg de ambtenaar: "En wat is je beroep?"
Baziel: "Ik jagen ip everzwijns in Brugge".
De ambtenaar: "Maar er zijn toch geen everzwijns in Brugge!"
Baziel: "En worom peis je wel da'k moeten gon doppen?"
Toen Baziel thuis kwam vroeg Zulma:
"Hoeveel heb je d'er nu weer gedronken?"
Baziel: "Zulma, 'k gon ik ip café vor e pientje te drinken en nie vo te leren tellen".
Baziel zag een pastoor met een 'col romain'.
"Wa wil da zeggen, zo'n averechtse col?" vroeg hij.
"Dit wil zeggen dat ik Vader ben" antwoordde de priester.
" 'k Zien ik ook voder", zei Baziel, "mo'k dragen ik mien kol nie averechts."
"Ja maar", lachte de pastoor, "ik ben Vader van duizenden".
Zei Baziel: "Zoe je ton nie beter je broek averechts andoen?"
Baziel kwam weer een gat in de nacht thuis.
Zei hij tegen Zulma: "Ieder ki dat er e kalant weggieng begosten d'andere kwood te klappen over zien vrouwe. 'k Zoen nie willen da ze van joen kwood klappen Zulma, zo 'k zien gebleven toe den latsten".
-- Met excuses voor de ongetwijfeld verkeerde spellinghe... Voor klachten over het niveau, u gelieve zich te richten tot de afzender van de originele mail :-)
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten